5 vragen aan Thomas Boeschoten: over data en wat journalistiek relevant maakt
Thomas Boeschoten is senior beleidsmedewerker Media en Technologie bij Stichting Democratie en Media. Boeschoten richtte de Utrecht Data School op en houdt zich bezig met de rol van data, technologie en innovatie in de journalistiek. Hij werkte eerder bij het Algemeen Dagblad en was lead van het data-en innovatieteam bij DPG Media.
Wat kunnen data ons leren over publieksbereik, journalistieke relevantie en de impact van verhalen? Daarover stelden wij hem vijf vragen.
Welk data-inzicht over nieuwsgebruik heeft je kijk op journalistiek veranderd?
Er waren veel inzichten die mij boeiden, bijvoorbeeld toen we ontdekten dat een grote landelijke krant extreem veel over Amsterdam schreef, en de rest van het land weinig aan bod kwam. Sommige vooroordelen zijn gewoon waar, en het is dan interessant om te zien hoe een redactie daarmee omgaat als ze dat inzicht hebben. Maar het grootste inzicht is denk ik de ontdekking van het superdetail. Data toonde aan dat als je in de kop van een artikel een opmerkelijk, misschien zelfs onbelangrijk detail verwerkt, dat een enorme impact heeft op hoeveel mensen het verhaal lazen. We zagen bijvoorbeeld dat het woord ‘man’ of ‘vrouw’ in de kop minder lezers trekt dan ‘vader’ of ‘moeder’. Ook een opmerkelijk feitje, bijvoorbeeld over iemands beroep of leeftijd (31) tussen haakjes kan een superdetail zijn.
Een ander vraagstuk waar ik mijn hele carriere trouwens door gefascineerd ben is de kloof tussen wat journalisten belangrijk vinden, wat lezers zeggen dat ze belangrijk vinden tegenover het daadwerkelijke kijk- en leesgedrag van gebruikers. Dat is voor mij de belangrijkste uitdaging: hoe breng je die twee samen? Vooral bij verhalen over onderwerpen die van zichzelf weinig aandacht trekken verdient het om even stil staan bij hoe je het kunt koppelen aan een fenomeen dat wel die aandacht trekt. Ooit lekte het plasseksfilmpje van Patricia Paay uit. Daar was heel veel aandacht voor. Een verhaal over seks-shaming niet. Tot je het nieuws over Paay gebruikt om een belangrijk onderwerp als seks-shaming aan de kaart te brengen: zo vind je meer publiek voor onderwerpen die je als redactie wél belangrijk vindt.
Als je redacties één advies over werken met data zou mogen meegeven, wat zou dat dan zijn?
Naast het gebruik van superdetails? Kijk naar data, weeg het mee, maar negeer het wanneer het moet. Bijvoorbeeld als het gaat over de afweging wat je bovenaan je site zet: je hebt een agenda-bepalende verantwoordelijkheid als redactie, dus soms moet je de data lekker negeren en iets bovenaan zetten dat weinig aandacht trekt. Natuurlijk is het belangrijk om dan wel te zoeken hoe zo’n belangrijk verhaal een groter publiek kan vinden, maar het mag nooit reden zijn om het verhaal niet te maken of vervroegd van de voorpagina te halen. Oké en stiekem nog een bonusadvies dan: laat data nooit normgevend zijn. Bedenk zelf de norm, bijvoorbeeld wat je de ideale verhouding vindt van een bepaald type verhalen, en zoek daarna pas de data er bij om te kijken of je aan je eigen norm als redactie voldoet.
Wat kunnen landelijke nieuwsorganisaties van regionale publieke omroepen leren, denk je?
Ik heb veel met regionale media gewerkt, en de grootste kracht vind ik dat je genuanceerder naar impact van verhalen leert kijken. Het is namelijk vooral belangrijk dat je de mensen bereikt voor wie de verhalen het meest impact hebben en wiens leven beinvloedt worden door wat je maakt. Een regionaal verhaal over een kleine plaats met 1000 views onder direct geraakten kan impactrijker zijn dan een verhaal dat viral gaat onder een miljoen mensen op wie het verhaal geen wezenlijke invloed heeft. Het vereist dus dat je anders naar de data kijkt, en dat zouden landelijke media ook veel meer moeten doen. We konden voor landelijke media precies zien welke doelgroepen bereikt werden met verhalen, en 9 op de 10 werd vooral gelezen door oude witte mannen. Daar is niks mis mee, maar het kan geen kwaad om dan eens iets vaker te kijken hoe je verhalen maakt die overwegend door jonge vrouwen worden gelezen, geluisterd of bekeken, zelfs al bereik je er in totaal minder mensen mee.
Wat moeten journalisten en nieuwsorganisaties nú doen om relevant te blijven in een tijd waarin AI steeds meer invloed heeft op nieuwsconsumptie?
Samenwerken, en op serieuze schaal zich organiseren om eigen infrastructuren te bouwen, om digitaal onafhankelijker te gaan opereren. AI gaat niet meer weg, maar we hebben wel keuzes te maken in hoe AI moet functioneren en welke rol het mag spelen. Dat moeten we met z’n allen doen, en daarom werken we samen met de overheid toe naar een sectorbreed media-akkoord.
Als je één hardnekkige misvatting over de toekomst van journalistiek zou mogen schrappen, welke zou dat zijn?
Het gaat vaak over dat mensen nieuws niet meer vertrouwen. Ik vind dat daarbij veel te vaak naar journalistieke media gekeken wordt als veroorzaker en oplosser. Dat is echt heel lui. Vergeleken met alternatieve mediabronnen doen professionele journalistieke media het vrij goed als het gaat om vertrouwen in het nieuws. Nieuws is overal, journalist is geen beschermd beroep, dus waar ligt nu de echte oorzaak van een dalend vertrouwen? Ik denk eerder aan politici die media continu onder de bus gooien, of ondernemers met eigen belang, of mensen op sociale media met een hardnekkig wereldbeeld. Tuurlijk kan je als redactie meer doen om transparant te zijn, uit te leggen hoe je tot keuzes komt, sure, maar de onwelwillenden verander je daar niet mee. Redacties doen goed en belangrijk werk volgens standaarden die niet-journalistieke entiteiten vaak niet eens bewust van zijn. Een dalend vertrouwen ligt dus echt niet aan onze redacties, maar eerder aan de veranderende wereld en dynamiek om hen heen met big tech en AI die geen incentive hebben om de waarheid na te streven.