5 vragen aan Maike Olij
Maike Olij is journalistiek adviseur, innovator en bovendien bestuurslid bij het Stimuleringsfonds voor de journalistiek. Wij legden Maike onze vijf vragen voor.
Je werkt veel op het snijvlak van journalistiek, publiek en innovatie. Hoe kijk jij naar de rol van de regionale publieke omroepen in het huidige medialandschap?
“Regionale omroepen hebben potentieel een hele sterke positie. Zo staan ze relatief dichtbij hun publiek en zijn ze vaak een logische ‘hoeder’ van de cultuur en identiteit van een specifiek gebied. Tegelijkertijd is het in verschillende provincies lastig om onder een breed publiek bekend te zijn – met name bij mensen onder de 40. Het imago van de regionale omroep is nogal eens wat oubollig… Maar er zijn ook meerdere voorbeelden van omroepen, of specifieke projecten die er juist wél in slagen de jongere doelgroep te vinden en te raken vanuit identiteit en eigenheid (Rijnmond via de socials, Kalm An in het Oosten, Omrop Fryslân in het Fries). Dat geeft hoop. Helemaal omdat regionale omroepen best wat ruimte hebben om in te spelen op specifieke behoeften. In tegenstelling tot de landelijke publieke omroep waar er een complex systeem van omroepredacties en programmering bestaat, heeft een regionale omroep zelf controle over wat het wanneer en waar maakt.”
Regionale omroepen staan dicht bij hun publiek en hun regio. Waar zie jij kansen om die kracht nog beter te verbinden met landelijke ontwikkelingen in media en journalistiek?
“Interessant genoeg denk ik dat het juist een landelijke ontwikkeling is om te proberen dichterbij je publiek te staan: om meer naast mensen te staan in plaats van alleen te zenden, en oprecht geïnteresseerd te zijn. Veel landelijke redacties trekken het land in, openen pop-ups en proberen te engageren met hun publiek. Dit is voor regionale omroepen vaak eenvoudiger te realiseren, omdat ze vaak automatisch al meer verbonden zijn met de mensen uit die ze bedienen, en een logische connectie hebben met het maatschappelijke middenveld.
Wat nog wel beter kan, denk ik, is het loslaten van bestaande structuren en formats. Er wordt véél gemaakt, maar lang niet alles is waardevol of relevant. Het zou goed zijn om scherper te kiezen en alleen die dingen te doen die er écht toe doen. Dat betekent soms ook dingen niet meer doen. In een tijd van overdaad en overload is het cruciaal om waarde te leveren en niet op de automatische piloot te focussen op ‘meer’. Hiervoor is het ook nodig de interne organisatie wat flexibeler te maken, en meer te werken vanuit projecten en specials. Dan kun je gemakkelijker inspelen op opkomende behoeften, en opvallen in relevantie en betekenis.“
Welke behoefte vervult regionale journalistiek volgens jou in de samenleving? Hoe kun je die betekenis ook voelbaar maken voor nieuwe generaties?
“Zoals alle journalistiek, vervult ook de regionale journalistiek enerzijds individuele behoeften. Om dingen te weten, te snappen, te voelen en iets te kunnen doen. En anderzijds maatschappelijke functies: om verhalen te ontdekken en ontsluiten, belangrijke gesprekken te agenderen, iedereen te representeren, weeffouten en misdragingen te onthullen en machtshebbers te confronteren. Het interessante is dat alle generaties die gelaagde betekenis kennen en voelen, maar dat ze er met andere taal en toon over praten. Dat betekent ook dat een regionale omroep op meerdere manieren moet kunnen communiceren. Gezien worden is voor alle generaties even belangrijk, maar waarín je gezien wilt worden verschilt. Dus moet een omroep zich inleven en verdiepen, begrijpen wat bepaalde woorden betekenen, op plekken komen waar de nieuwe generaties zijn en vervolgens betekenis leveren. Iets geven waar behoefte aan is, dat een belangrijke functie vervult.“

Samenwerking wordt steeds belangrijker in de mediasector. Waar liggen volgens jou de grootste kansen voor samenwerking tussen landelijke en regionale publieke omroepen?
“Ik denk dat samenwerking tussen landelijk en regionaal vooral opportuun is waar elkaars talenten complementair zijn, of schaalvergroting nodig is. Regionale omroepen weten veel over een bepaald gebied, landelijke omroepen kunnen specialiseren in journalistieke vaardigheden. Die kun je combineren. En als er ergens ‘iets speelt’ of gaande is, kan er samen worden opgetrokken. Naast de samenwerking met landelijke media is het voor regionale omroepen overigens ook interessant om juist te kijken waar het regionale maatschappelijke middenveld een partner kan zijn. Bibliotheken, zorginstellingen, het onderwijs; overal in de regio zitten organisaties die belang hebben bij een gezonde democratie en geïnformeerde en betrokken burgers. Omdat de afstanden kleiner zijn en de gedeelde belangen groot, zie ik hier veel ruimte voor samenwerking en versterking. Misschien nog wel meer dan tussen landelijke en regionale media.“
Tot slot: als jij één ontwikkeling in de journalistiek of media de komende jaren zou mogen versnellen, welke zou dat zijn – en waarom?
“Het beter kunnen sturen op waarde: hiervoor moeten we gezamenlijk een nieuwe taal ontwikkelen en betere manieren bedenken om te sturen en af te rekenen. We moeten ervoor zorgen dat (journalistieke) media echt de democratie dienen, en waardevol zijn voor mensen. Dat betekent dat we kritisch moeten zijn op commercieel gedreven mechanismes die redactionele keuzes bepalen.“